MOEDER

In mijn roaring twenties leefde ik, naar mijn mening, mijn leven groots en meeslepend en was ik vastbesloten om nooit kinderen te krijgen.

Voor het boek ‘Grrls!’ van Sanderijn Cels werd ik geïnterviewd over mijn visie op de derde postfeministische golf en girlpower en werd mijn toenmalige stokpaardje, dat ik te pas en te onpas van stal haalde, als volgt opgetekend :

“Kinderen ? Ik moet er niet aan denken. Als baby schijten en janken ze alleen maar. Als kleuter zeiken ze je constant aan je kop met hun “waarom”-vragen. Als puber rijden ze op stinkbrommertjes, krijgen puisten en gaan aan de XTC en voor je het weet zit je grijs en verlept op de bank je af te vragen wat er in godsnaam is gebeurd.”

Een jaar later was ik zwanger.

Helaas resulteerde dat in een miskraam, en ook de daaropvolgende pogingen stierven een vroege dood, waardoor ik de twijfelachtige titel van Miss Kraam kreeg, maar dat maakte me juist vastbeslotener om een kind op de wereld te zetten. Ik was tenslotte niet voor één gat te vangen.

Toen ik Jip na een helse vierentwintiguursbevalling dan eindelijk -letterlijk- had uitgepoept, was ik, ondanks de rotjes die ze in mijn onderkant schenen te hebben afgestoken, onwaarschijnlijk trots. Op hem en op mezelf. Ik was moeder.

Jip heeft me overigens nooit moeder genoemd (behalve een periode toen hij ontdekte dat ik het verschrikkelijk vond als hij me ‘moeder’ noemde, wat hij natuurlijk weer retegrappig vond), maar verder wel alle mogelijke variaties op ‘mama’.

Toen hij nog een kleine keutel was, was ik ‘Mijn Mama’. Later werd dit ‘mama’, ‘mam’ of ‘máhám’, als ik -in zijn ogen- weer eens iets onwaarschijnlijk achterlijks deed of zei.

Een tijdje terug liep ik met hem op het metrostation van de Nieuwmarkt, waar kennelijk een groepje GVB-medewerkers naar me stond te kijken. Roept ie ineens keihard : “Hee, wat zitten jullie nou naar mijn moeder te kijken ?!!” Ze wisten niet hoe snel ze een andere kant op moesten kijken.

Mijn Kunta Kintje is cool. En wie het daar niet mee eens is : Jemóeder.

VOL

In ons huishouden maken we er een sport van om, als de vuilniszak in de prullenbak vol zit en eigenlijk vervangen moet worden, er toch nog steeds dingen in te blijven proppen.

Als geëngageerde, woke Amsterdammers vinden wij het torenhoge percentage scheidingen van vandaag de dag uiterst zorgwekkend dus houden we ons afval daarvan verschoond. Een betere wereld begint immers bij jezelf.

Dat het een kleine moeite is om die volle vuilniszak eruit te halen en even een nieuwe in de prullenbak te hangen moge duidelijk zijn, maar toch blijven we, heel kinderachtig, na de boel nog maar eens flink aangestampt te hebben, toch die ene lege verpakking of die eierdoos erbij proppen, de ander afwachtend aankijkend en als die ander geen sjoege geeft, zogenaamd terloops opmerken “dat die zak er vandaag of morgen toch echt een keertje uit moet”.

Eenzelfde gedrag zien we terug in onze huidige samenleving.

Er wordt hartstochtelijk geklaagd over en de vinger gewezen naar de ander, maar er is nooit eens iemand die als Kippetje Tok, grootmoedig zegt : “dan doe ik het zelf wel”, al was het maar om de goede vrede te bewaren.

Nederland is inmiddels verworden tot één grote prullenbak waar iedereen zijn shit in dumpt en waarvan niemand de vuilniszak eens verwisselt, ook al puilt ie werkelijk uit van alle denkbare troep.

Dat is volgens mij het probleem. We verwachten van een ander dat die het wel even opruimt, terwijl je de troep gezamenlijk hebt gemaakt.

En zo gaan we zowel thuis, in onze mini-samenleving, als daarbuiten, vrolijk verder met ons vuil in schijnbaar bodemloze vuilniszakken te stoppen, terwijl we onszelf wijsmaken “dat het nog wel even kan”.